Home   Sitemap   English   Contact
Home

Er wordt een ‘gereedschapsset’ ontwikkeld voor grondgebonden teelten om emissiemanagement op het bedrijf te kunnen toepassen. Het ontwikkelen van het ‘emissiemanagementsysteem’ bestaat uit een aantal onderdelen en activiteiten en omvat zowel ontwikkeling van meetinstrumenten en software als implementatie en kennisverspreiding binnen de sector via regionale netwerken. In het eerste jaar ligt een accent op zowel optimalisatie van het lysimetersysteem, inclusief nieuwe vochtsensoren, als op het ontwikkelen van de noodzakelijke software hulpprogramma’s en onderlinge koppeling van de verschillende systemen. Daarnaast worden de regionale praktijknetwerken gevormd en komt er de eerste aanzet tot ‘best practices’. In het tweede jaar tot aan het einde van het project zal het vooral aan om het toetsen en demonstreren van de systemen tezamen met de verspreiding van de kennis, zodat aan het eind van het project, eind 2011 het ‘emissiemanagementsysteem’ rijp is om grootschalig te worden geïntroduceerd en opgeschaald.

overzicht partners

Het project richt zich op waterkringloopsluiting op bedrijfsniveau van glastuinbouwbedrijven met substraatteelt. Het doel is de emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater of riool te voorkomen. Er worden twee elkaar aanvullende sporen gevolgd. Allereerst wordt het hergebruik van drainwater gemaximaliseerd. Hiervoor worden technieken en technologieën doorontwikkeld waarmee de water- en meststoffengift wordt geoptimaliseerd, en waarmee groeiremming (een belangrijke reden voor lozing) kan worden voorkomen. Deze worden op praktijkbedrijven getoetst.

Daarnaast wordt het uiteindelijk te lozen drainwater gezuiverd met één of twee voor de glastuinbouw nieuwe zuiveringstechnologieën, waarbij vooral membraandestillatie als veelbelovend wordt gezien. Op basis van een haalbaarheidstudie en laboratoriumonderzoek wordt de meest kansrijke technologie in de praktijk getoetst. Ook wordt onderzocht of de reststromen van de zuivering kunnen worden hergebruikt (valorisatie).

overzicht van partners

We developed a completely new approach to improve pesticide deposition on plant leaves in agriculture and horticulture. Pesticide is the common name for sometimes largely different compounds such as herbicides, fungicides and insecticides used for crop protection. Enormous amounts of pesticides are used in agriculture: total E.U. sales (in the year 2000) exceed 6000 Million € per year, representing 320 000 tons of material. A large part of sprayed pesticides never reaches the plants but falls directly on the soil or into surface water, causing strong adverse ecological effects without any benefit to health or yield of the crop.
In its report of 19 February 2003, the environmental commission of the European Parliament requests that “urgent and obligatory actions be taken in order to reduce by half the coming ten years the quantities of pesticides used”. Our achievement is an important step in achieving this goal and reduce the loss of pesticides on the soil and in the surface water.
The problem is twofold. First, the plants retain only part of the spray: many drops end up on the soil because the hydrophobic character of the leaves causes the bumping-off of the droplets. Second, the wind makes small droplets drift away from the plants and end up on the soil and in the surface water around the field. Very small droplets end up airbound anyway. We have developed a technology with an additive, SQUALL,  that tackles the two problems at the same time:
A. an increased deposition on the plants and
B. narrow drop size distribution to efficiently reduce the drift.

Squall is an environmentally friendly polymer, used in many consumer products (for instance tooth paste).
In field tests we also found that the rain fastness (resistance to rain) improved at least 15 %.
The principle is applicable to all pesticides. The investigations consisted of laboratory work and a number of tests on semi-technical scale and subsequently  field test to determine the performance in practice conditions. We succeeded to diminish the use of pesticides by at least 15%, and sometimes (with some pesticides) as much as 50%, with the same plant protection. The completely new approach was pioneered by Prof. D. Bonn (one of the partners) and his fundamental work on the subject already caught a lot of attention in the international press: more than 18 leading papers and TV-stations have reported on it .
We can estimate that the market of Squall in the EU alone is over 500 Million €.
The development was partly financed by a grant from the European Commission in the EUREKA-programme.
Currently the Ministry of Roads and Waterways is given substantial financial support for the start-up of marketing and sales.

Bovenstaande tekst aangevuld met enkele test resultaten en referenties kunt u hier downloaden.

project loopt tot november 2012

Zeven innovatieve bedrijven en 12 telers slaan de handen ineen voor extra resultaat. Onder leiding van CLM en DLV Plant ontwikkelen zij in het KRW-project "Innovaties in het Kwadraat" gezamenlijk een teeltsysteem voor peer, prei en aardbei. Het project combineert op een slimme manier innovatieve producten en technieken. Telers verminderen zo de emissies van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten naar het water. EN leveren een kwalitatief goed product.

klik hier voor meer informatie over de deelnemende bedrijven met hun technieken

Tips voor eindgebruikers

hiermee breng je als overheid, agrarisch ondernemer, erfbetreder of onderwijskundige innovaties makkelijker in de praktijk.

Stand van zaken (april 2012)

Project is afgerond, bekijk hier een korte eindrapportage.

Een selectie van de output is op deze website geplaatst; overige output is beschikbaar op internet of kan worden opgevraagd bij de contactpersoon G.F. Koopmans.

De veldproef zal de komende twee jaren worden voortgezet, met financiering van o.a. het Productschap Tuinbouw. Belangrijkste aandachtspunten zijn het vaststellen van het zuiveringsrendement op de langere termijn en de waterdoorlatendheid van het ijzerzand. Daarnaast wordt aandacht besteed aan opschaling en het verder ontwikkelen van deze maatregel tot een pasklare en praktijkrijpe methode.

Stand van zaken (april 2012)

Project is in afrondende fase, binnenkort komt hier de eindrapportage

Dit project combineert een landelijk meetnet van meer dan 60 weerstations met kennis over de ontwikkeling van ziektes in fruit- en boomteelt en kennis over afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen. Het beoogde resultaat is een beslissingsondersteunend systeem dat het aantal bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen kan beperken. Telers krijgen toegang tot de informatie via een website.

Project is afgerond, momenteel wordt gewerkt aan de eindrapportage.

Veldsymposium is voorzien in september 2012

Omdat de aangelegde oevers op moment van meten (medio 2011) nog in de pioniersfase waren, zal Waternet op beperkte schaal de ecologische monitoring voortzetten.

Het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht heeft een stimuleringsregeling Natuurvriendelijke Oevers opgesteld. De bijbehorende uitvoeringssystematiek wordt in dit project opgesteld en uitgetest. Het project omvat het opstellen van een werkbare beheerregeling, het uitwerken van maatregelen¬pakketten, het opzetten van een organisatiestructuur, het uittesten van het natuurlijkvriendelijk inrichten van oevers en het afsluiten van overeenkomsten met agrariërs, het opstellen van een monitoringplan, het verzamelen van kosten en effecteninformatie en communicatie over de resultaten.

Project is afgerond, binnenkort komt hier het eindrapport

In dit project wil men de zuiverende werking meten van overjarig riet in bestaande sloten, dus van min of meer natuurlijke rietfilters, met verschillende beheerregimes en waterpeilen. Het laten overstaan van riet kan de doorstroming in deze sloten belemmeren en daarmee de afvoerfunctie negatief beïnvloeden en tot natschade leiden. In het project wordt daarom ook de doorstroming jaarrond gemeten. Er worden stoffen- en waterbalansen opgesteld om ook invloeden van buiten zoals kwel en wegzijging mee te nemen. Een enquête onder akkerbouwers en loonwerkers maakt onderdeel uit van het project. Bij de agrarische natuurvereniging Wierde & Dijk in Noord-Groningen is het laten overstaan van riet in tussensloten reeds praktijk in een kwart van de tussensloten. In dit gebied kan daarom snel een praktijkexperiment plaatsvinden. Dit is één van de ‘probleemgebieden’ voor het halen van de KRW-doelen in het Noordelijk kustgebied: naast de fosforproblematiek voor het halen van de ecologische doelen in de (lokale en regionale) zoete waterlichamen. De resultaten van dit onderzoek zijn zonder meer te benutten voor andere kustgebieden. Voor overige gebieden in Nederland met mogelijk andere doelen en problemen, op andere grondsoorten en met een andere waterhuishouding kan een indicatie worden gegeven van de zuiverende werking van deze maatregel.

Tips voor eindgebruikers

hiermee breng je als overheid, agrarisch ondernemer, erfbetreder of onderwijskundige innovaties makkelijker in de praktijk.

Zowel bij grondgebonden teelt als huidige substraatteelten in de glastuinbouw komen nutriënten en restanten van gewasbeschermingsmiddelen in het grond- en oppervlaktewater terecht, of ze beïnvloeden de werking van RZWI’s negatief. In glastuinbouwconcentratiegebieden heeft de glastuinbouwsector daardoor een behoorlijk negatieve impact op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Dit project beoogt tijdens ontwerpsessies een programma van eisen te formuleren voor een nieuw wateremissievrij teeltsysteem met nulemissie als belangrijkste uitgangspunt. Op basis hiervan worden prototypen van componenten ontwikkeld en onder gecontroleerde omstandigheden getest. Uitgegaan wordt van de specifieke behoeften van individuele planten, vandaar de naam precisietuinbouwsysteem, PTS. Er wordt gebruik gemaakt van deeloplossingen en ervaringen uit eerder gestarte innovatietrajecten.

Dit project beoogt in het veld de effectiviteit van peilgestuurde drainage in de Zeeuwse bodemprofielen vast te stellen op de vermindering van de stikstofconcentratie in het oppervlaktewater. Door een dieper gelegd, peilgestuurd drainagesysteem poogt men de verblijftijd, met name van de snellere component, van het grondwater te verlengen. Studies hebben uitgewezen dat nitraat-stikstof effectief kan worden afgebroken bij een langere verblijftijd in een anaërobe zone. Dit project onderzoekt drainage onder de laagste grondwaterstand en drainage op normale diepte. Het resultaat van het project is een modelmatig conceptueel inzicht op basis van een veldproef.

Stand van zaken (april 2012)

Het meetprogramma verloopt moeizaam en levert tot nu toe minder informatie op dan gewenst. Ook komen de kosten hoger uit dan geraamd. Nadat de meetopstelling in november 2010 volledig operationeel was, hebben we te maken gehad met uitval door een vorstperiode. Vervolgens zijn de drainafvoeren als gevolg van de extreem droge start van 2011 al vroeg gestopt (maart) en zeer laat weer op gang gekomen (december). De periode waarin bruikbare metingen uitgevoerd konden worden, is daardoor zeer beperkt geweest.

Uit de metingen blijkt dat verdiept aangelegde drainage in kleigrond naar behoren werkt en kan voorzichtig geconcludeerd worden dat het een gunstige invloed heeft op de nitraatuitspoeling.

Afronding van de eindrapportage met definitieve analyse van de meetresultaten is voorzien voor september 2012.

Om meer informatie uit deze proef te kunnen halen wordt geprobeerd om de proef langer door te zetten.

Stand van zaken (april 2012)

Het project is afgerond; eindrapportage

Alle resultaten van de experimenten uit het project ‘KRW: praktische bedrijfsinnovaties in de landbouw’ zijn
in rapportages vastgelegd. Er is voor ieder onderdeel een aparte rapportage opgesteld: erf, perceel en slootkant. Alle rapportages en checklisten zijn op te vragen

Daarnaast is er een rapport met aanbevelingen en handvatten voor een vervolg. De aanbevelingen en
handvatten zijn met name gericht op waterschappen en provincies. In deze nieuwsbrief van maart 2012 wordt kort stil gestaam bij de inhoud van al deze rapporten.

Project is eind 2011 afgerond. Eindrapporten zijn binnenkort hier te vinden of op te vragen bij projectleider.

Introductie

Er zijn aanwijzingen dat oppervlakkige afspoeling, ook in vlakke gebieden, een belangrijke route kan zijn waarlangs nutriënten het oppervlaktewater bereiken. Dit project onderzoekt daarom of het blokkeren van de oppervlakkige afvoer een efficiënte manier is om de nutriëntenvracht te reduceren. Het project bestaat uit vier onderdelen. Ten eerste: identificeren van de risicoplekken met een bestaande GIS-tool; Vervolgens: de omvang meten van de oppervlakkige afspoeling op gras- en bouwland; Daarna: ontwikkelen van een bemestingstool om incidentele verliezen te voorkomen; Tot slot: ontwikkelen van grondmaatwerk om oppervlakkige afspoeling te voorkomen.

Resultaten

Het project Inrichtingsmaatregelen tegen oppervlakkige afspoeling is uitgevoerd in de periode 2009 t/m 2010.
Het project is opgesplitst in vier deelprojecten; de onderzoeksdoelen van de vier deelprojecten zijn:
1.    het identificeren van risicoplekken voor oppervlakkige afstroming;
2.    het kwantificeren van de verliezen via oppervlakkige afstroming;
3.    het tegen gaan van incidentele verliezen met behulp van weersvoorspelling;
4.    het ontwerpen, toepassen en monitoren van maatregelen tegen oppervlakkige afspoeling.
Ad. 1 Om potentiële risicoplekken voor oppervlakkige afstroming in kaart te brengen is gebruik gemaakt van gegevensbronnen m.b.t. ligging percelen, waterlopen en hoogte informatie. Lage plekken die grenzen aan waterlopen worden hierbij als potentiele risicoplekken beschouwd. Er zijn kaarten gemaakt voor de gebiedspilots van het IP-KRW-project Landbouw Centraal. De kaarten zijn vervolgens gebruikt bij de gebiedsanalyse t.b.v. het project Landbouw Centraal, verder zijn de kaarten gebruikt bij onderdeel 4 van dit project om risico’s voor oppervlakkige afstroming op perceelsniveau te identificeren.

Ad. 2 Om nutriëntenverliezen als gevolg van oppervlakkige afstroming te identificeren zijn in twee gebieden meetinrichtingen geplaatst. Op drie voor het zandgebied karakteristieke locaties in Noord-Limburg en op één voor zware komklei karakteristieke locatie in het rivierengebied zijn metingen gedaan aan oppervlakkige afstroming. Uit het onderzoek in Limburg bleek dat oppervlakkige afstroming hoofdzakelijk in de winterperiode (januari-maart) plaatsvindt. Gedurende de onderzoeksperiode vonden gemiddeld 5-9 afstromingsevents per jaar plaats, het aantal verschilt sterk per jaar (natte vs. droge winter). De concentraties van het afstromende water overschreed in 100% van de gevallen de fosfaatnorm van 0.15 mg/l P en in ca. 50-75% van de gevallen de stikstofnorm van 4 mg/l N.
In Waardenburg is oppervlakkige afvoer via greppels de belangrijkste transportroute van water en nutriënten naar het oppervlaktewaterIn 2008/2009 en 2010/2011 werd 77% van het neerslagoverschot van de meetlocatie naar de sloot afgevoerd door middel van greppels. Een groot deel van de totale stikstof- en fosfaatverliezen traden op in particulaire vorm. Aanwending van de vaste fractie van drijfmest na mestscheiding en van drijfmest leidde tot een sterke toename van de ortho-fosfaatconcentratie in het afvoerwater van de drains en greppels. Daarnaast werd na aanwending van drijfmest nog een onbekend fosfaatdeeltje (10-50 nm) waargenomen, waarschijnlijk fosfolipiden. De aanwezigheid van deze organische fosfaatverbinding in het drain- en greppelwater binnen enkele dagen na het aanwenden van drijfmest laat de sterke koppeling zien tussen landbouwkundig handelen op deze meetlocatie en de fosfaatverliezen die optreden van deze locatie naar het oppervlaktewater. De aanwezigheid van fosfolipiden in het effluent van de drains enkele dagen na aanwending van drijfmest vormen een sterke aanwijzing voor het bestaan van snelle verticale transportroutes door de bodemmatrix in de richting van de drains.

Ad.3 Incidentele verliezen
Oppervlakkige afvoer kan een belangrijke route zijn waarlangs nutriënten in het oppervlaktewater terecht komen. Het tegen gaan van incidentele nutriëntenverliezen via oppervlakkige afvoer na een bemesting kan een bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater op afspoelingsgevoelige gronden. Het is verstandig om een bemesting uit te stellen op momenten dat de risico’s op oppervlakkige afvoer groot zijn. De risico’s kunnen worden ingeschat aan de hand van de meerdaagse weersverwachting en de heersende hydrologische condities. In dit project is een tool ontwikkeld waarmee op basis van gemeten weer en neerslagverwachtingen adviezen gegeven worden ten aanzien van het wel of niet uitvoeren van een bemesting. Deze bemestingstool is vervolgens getest op de zware komklei-locatie.

Ad.4 Om de belasting van het oppervlaktewater via afspoeling op boerenbedrijven te beperken zijn een aantal bedrijven geselecteerd en doorgelicht. Om in contact te komen met individuele boeren is samengewerkt met het IP-KRW project Landbouw Centraal. Als eerste stap is een checklist m.b.t. potentiele risicolocaties op bedrijf en perceel opgesteld. Deze checklist in combinatie met de eerder genoemde lage plekken kaart is door de landbouwvoorlichter samen met de boer ingevuld voor twaalf bedrijven. Vervolgens zijn acht bedrijven bezocht om risicosituaties te beoordelen. Uit de bezoeken blijkt dat voor praktisch alle problemen m.b.t. belasting van het oppervlaktewater een oplossing is te vinden om de belasting te beperken, wel zijn oplossingen maatwerk. Mogelijke oplossingen die zijn aangedragen betreffen de aanleg van buisdrainage waardoor hoge grondwaterstanden worden beperkt, en waardoor de kans op oppervlakkige afstroming afneemt. Voor hotspots, zoals veedrenkplaatsen en koepaden is verplaatsing vaak een goede oplossing om oppervlakkige afstroming te beperken.


De resultaten van het project zijn vastgelegd in 4 rapportages:
1.    G. F. Koopmans, A. van den Toorn, I. C. Regelink en C. van der Salm. Oppervlakkige afspoeling op landbouwgronden. Incidentele nutriëntenverliezen en speciatie van fosfaat op zware kleigrond. Wageningen, Alterra-rapport 2269.
2.    Massop H.Th.L., I.G.A.M. Noij, W.M. Appels en A. van den Toorn. Oppervlakkige afspoeling op landbouwgronden. Metingenop zandgrond in Limburg. Wageningen, Alterra-rapport 2270.
3.    F.B.T. Assinck en C. van der Salm. Oppervlakkige afspoeling op landbouwgronden. Bemestingstool: een instrument ter voorkoming van incidentele nutriëntenverliezen door oppervlakkige afvoer. Wageningen, Alterra-rapport 2271.
4.    Massop H.Th.L. en I.G.A.M. Noij. Oppervlakkige afspoeling op landbouwgronden. Maatregelen op bedrijfsniveau. Wageningen, Alterra-rapport 2272.

Het project is hiermee afgerond.

Tips voor eindgebruikers

hiermee breng je als overheid, agrarisch ondernemer, erfbetreder of onderwijskundige innovaties makkelijker in de praktijk.

Project is afgerond

Eindrapport

Samenvatting

Het project Chrysantenteelt op substraatbedden heeft samen met de praktijk gewerkt aan nieuwe, emissievrije teeltsystemen voor de grondgebonden chrysantenteelt. Na een brede ontwerpfase werd samen met ondernemers gekozen voor een low-tech, mid-tech en high-tech variant:

  •  Low-tech: Diep grondbed – op 70 cm diep een plastic met drainagesysteem ingegraven;
  • Mid-tech: zandbed – een 15-20 cm diepe laag grof zand boven een verticale drainagelaag. In twee varianten werd dan wel eb-vloed gegeven van onderaf of werd een continu waterniveau gehandhaafd in de onderste centimeters van het zand.
  • High-tech: mobiele veen-systemen en substraatloze systemen: veentafel, 3 cm brede cassettes, drijvende plantjes boven een ‘vijver’ en wortelsproei.

Vooral de mid-tech-variant werd gezien als meest kansrijk vanwege de relatief gemakkelijke introductie in de praktijk: bovengronds verandert er immers weinig voor de teler.
Het zandbed is in 6 teeltronden getest en vervolgens op kleine schaal in een praktijkexperiment verder onderzocht. In de eerste zes teeltronden bleken de resultaten van het zandbed dichtbij, maar veelal net onder die van de grondreferentie. Op basis van deze resultaten is besloten geen grootschalig, maar kleinschalig praktijkonderzoek te doen bij één chrysantenteler. Het systeem is destijds aangepast om het grootste mankement het hoofd te kunnen bieden: te beperkte aanvoer van voeding en water bij de wortels. In de teeltronden die volgden werd echter de nodige meerproductie van 10-15% om een rendabele teelt te kunnen halen niet gerealiseerd.
Bedrijven en de landelijke chrysantenteelt werken verder aan het verlagen van de emissie vanuit de chrysantenteelt, onder andere door het voortzetten van het werk aan het zandbed. Ondanks dat het systeem nog niet rendabel is, is het wel het enige emissievrije teeltsysteem wat dicht bij de praktijk staat. In het project met Provincie Gelderland is voorzien in nog twee teeltronden. Deze ronden worden voortgezet. Parallel worden door de sector 1) strategieën ontwikkeld voor emissie-arm telen in de grond (sensoren en betere irrigatiesystemen) en 2) doorgewerkt aan substraatloze systemen als verder toekomstperspectief: drijvende systemen, cassettebed en wortelsproei.
De kennis uit het project over ontwerpmethodiek en plantenfysiologie wordt inmiddels toegepast bij de ontwikkeling van teeltsystemen voor 5 open teelt gewasgroepen (zomerbloemen, bladgewassen, bollen, boomteelt en fruitteelt) alsmede de lysianthusteelt. De volgende systemen – ontwikkeld in het chrysantenwerk – worden nu getoetst: Zandbed (zomerbloemen en bollen) en cassettes (lysianthus). Daarnaast wordt in de bladgewassen en de prei gewerkt met substraatloze systemen, waar het chrysantenwerk ook veel kennis aan heeft bijgedragen. In alle gevallen is emissievrij telen een systeemeis.

Het project is gericht op het praktijkrijp maken van technologie voor het ter plekke zuiveren van drainwater door verwijdering van milieubelastende stoffen uit de landbouw zoals nutriënten, zware metalen en bestrijdingsmiddelen. In dit project wordt specifiek gekeken naar de landbouwsituatie in de bollenteelt in Noord- en Zuid-Holland en de akkerbouw in Noord-Brabant. Het einddoel van dit project is een in de landbouwpraktijk toepasbare en economisch haalbare zuiveringstechnologie voor drainwater voordat het in het oppervlaktewater stroomt.

Stand van zaken (april 2012)

project is in afronding, binnenkort komt hier eindrapportage

Dit project probeert de nadelen van zogenaamde vanggewassen te ondervangen. Vanggewassen worden na de hoofdteelt toegepast om stikstof op te nemen en daarmee te voorkomen dat stikstof uitspoelt. Nadelen van de huidige vanggewassen zijn vorstgevoeligheid en het risico op aaltjes. In dit project gaat men op zoek naar andere, voor Nederland nieuwe vanggewassen, die niet de genoemde nadelen hebben. Dit gebeurt onder meer door literatuur- en databaseonderzoek. Ook gebruikt men de ervaringen uit het project ‘Nutriënten waterproof’, waarin experimenteel wat nieuwe vanggewassen zijn uitgezaaid, waarvan een aantal enig perspectief liet zien. Vervolgens worden op geschikte locaties met veelbelovende gewassen veldproeven gedaan in een praktijkexperiment.

Tips voor eindgebruikers

hiermee breng je als overheid, agrarisch ondernemer, erfbetreder of onderwijskundige innovaties makkelijker in de praktijk.

Project is afgerond, klik hier voor een eindverslag of de flyer met de eindresultaten van het project.

In algemene zin heeft het project technische resultaten opgeleverd over de werking
en mogelijkheden van zuiveringssystemen voor het zuiveren van stikstof en fosfaat
uit drainwater en slootwater en inzichten in de kosteneffectiviteit en andere
perspectieven van de systemen.

Natuurlijke zuiveringssystemen zijn op basis van dit onderzoek een effectieve
maatregel om de emissies van N en P uit landbouwgebieden op de lagergelegen
zandgronden in Nederland te beperken. In de systemen met wateropslag werd in de
zomerperiode meestal de MTR-waarde voor N en P gehaald. Het zuiverend effect was
in de winterperiode beduidend minder, maar dat is minder bezwaarlijk voor
ecosystemen. In de ongecontroleerde systemen werden de MTR-waarden zeker in
piekperioden niet gehaald, maar aan de doelstelling het beperken van de
nutriëntenvracht werd wel voldaan.

Met de reductie van de emissies van N en P kunnen lokale ecosystemen worden
verbeterd en vermindert ook de nutriëntenvracht naar de kustwateren. De rekensom
hoever de nationale geëmitteerde nutriëntenvracht kan worden teruggebracht met de
toepassing van zuiveringsmoerassen in het landelijk gebied is in dit project niet
gemaakt en lastig aan te geven omdat toepassing en effecten zeer gebiedsspecifiek
zijn.

De aanleg van zuiveringsmoerassen in het landelijk gebied biedt mogelijkheden tot
koppeling met overige functies, zoals waterberging, natuur, landschap, recreatie en
de productie van biomassa. Deze positieve effecten zijn in deze studie niet uitgebreid
behandeld.

De maatregel is toepasbaar voor laag gelegen zandgronden en mogelijk ook voor
kleigronden. Aandachtspunten zijn:

  • Voor elke locatie moet een beoordeling van de toepasbaarheid en een specifiekontwerp worden gemaakt
  • Het ruimtebeslag is vrij groot, maar bij toepassing op gebiedsniveau kunnen voor landbouw minder gunstige, natte percelen gebruikt worden
  • Hoe kan beheer efficiënt geregeld worden?
  • De investeringskosten liggen afhankelijk van de variant tussen de ca € 0.40 perm2 op gebiedsniveau tot bijna € 3 per m2 voor een klein perceel.