Home   Sitemap   English   Contact
Home / Indeling projecten / Nieuwe teelten of teeltsystemen / Inzet stikstofvanggewassen

Inzet stikstofvanggewassen

KRW08073

Inzet stikstofvanggewassen

Dit project probeert de nadelen van zogenaamde vanggewassen te ondervangen. Vanggewassen worden na de hoofdteelt toegepast om stikstof op te nemen en daarmee te voorkomen dat stikstof uitspoelt. Nadelen van de huidige vanggewassen zijn vorstgevoeligheid en het risico op aaltjes. In dit project gaat men op zoek naar andere, voor Nederland nieuwe vanggewassen, die niet de genoemde nadelen hebben. Dit gebeurt onder meer door literatuur- en databaseonderzoek. Ook gebruikt men de ervaringen uit het project ‘Nutriënten waterproof’, waarin experimenteel wat nieuwe vanggewassen zijn uitgezaaid, waarvan een aantal enig perspectief liet zien. Vervolgens worden op geschikte locaties met veelbelovende gewassen veldproeven gedaan in een praktijkexperiment.

Doel

Stikstofvanggewassen worden geteeld na een hoofdgewas om de achtergebleven stikstof in het profiel op te nemen, alsmede de stikstof die in de herfst nog via mineralisatie vrijkomt. De vanggewassen kunnen hiermee voorkomen dat deze stikstof uitspoelt. In het ideale geval wordt de opgenomen stikstof als het ware over de winter getild en na het winterseizoen weer afgegeven aan het volggewas. Aangetoond is dat de teelt van vanggewassen daarmee een zeer kosteneffectieve brongerichte maatregel is. Daarbij zijn er voor de boer nog een aantal nevenvoordelen. Knelpunt bij de teelt van vanggewassen (in alle sectoren) is echter de vorstgevoeligheid van de huidige vanggewassen, waardoor de opgenomen stikstof te vroeg verloren gaan. Een tweede knelpunt is de vermeerdering van schadelijke aaltjes op deze gewassen. Dit project beoogt de teelt van stikstofvanggewassen te stimuleren door:

  • Te zoeken naar nieuwe vanggewassen die niet de bovengenoemde nadelen hebben.
  • In een aantal praktijksituaties aan te geven waar met het huidige assortiment vanggewassen resultaten geboekt kunnen worden (maatwerk met betrekking tot bouwplan, bedrijfsstructuur, omgeving) 

Aanpak

Op basis van een literatuurstudie is  gekeken naar plantensoorten die als vanggewas kunnen dienen. Hierbij is ook in een minder gangbare hoek gekeken, namelijk naar kruiden, (vergeten) cultuurplanten/ groenten etc. Enkele potentiële kandidaten waren al bekend (uit Deens onderzoek).
Ook is samenwerking gezocht met Van Dijke Semo, een veredelingsbedrijf dat zich gespecialiseerd heeft in groenbemestingsgewassen. Een aantal geschikte soorten zal gedurende twee jaar getest worden in Wageningen en in omgeving Vredepeel (waarbij ook een vergelijking met het huidige sortiment vanggewassen zal plaatsvinden). 
Hierbij zal gekeken worden naar de volgende eigenschappen:

  • snelheid ontwikkeling (bij verschillende zaaitijden)
  • geschiktheid voor onderzaai in mais
  • N opname (snelheid, totale opname)
  • Vorstgevoeligheid
  • Aaltjesgevoeligheid en – vermeerdering (ten aanzien Melodoigyne chitwoodi) van omgeving Vredepeel)

Naast het testen van nieuwe soorten zal ook gekeken worden in de praktijk de mogelijkheden van vanggewassen voldoende worden benut, hiertoe zal aansluiting gezocht worden met een ander KRW project (Landbouw Centraal).

Stand van zaken (mei 2010)

Literatuurstudie en contacten met van Dijke SEMO leverde een 20-tal soorten/accessies op die potentieel geschikt zouden kunnen zijn om als vanggewas te fungeren. In 2009 zijn een drietal proeven uitgevoerd.

  1. Een oriënterende proef waarin onderzocht wordt in hoeverre bepaalde plantensoorten geschikt zijn voor onderzaai in mais, en zo ja, welke extra mogelijkheden dit biedt om niet benutte stikstof voor uitspoeling te behoeden (Wageningen, 9 gewassen). Het gaat hier om grasachtige soorten (o.a. Japanse haver, Italiaans raaigras, winterhaver, bladrogge), maar ook enkele kruiden (o.a. weede, bolderik), quinoa en soorten uit de Brassica familie (bladrammenas, Ethiopische mosterd).
  2. Een proef, in samenwerking met PPO-AGV, in het zuidoostelijk zandgebied op een perceel waar een besmetting met het wortelknobbelaaltje (Melodogyne chitwoodi) aanwezig is. Hierbij gaat het er vooral om na te gaan in hoeverre de geteelde gewassen een vermeerdering van dit aaltje tot gevolg hebben. In mindere mate of ook de vanggewassen zelf hier schade van ondervinden. In 2010 zullen ook de na-effecten op een volggewas, in dit geval aardappelen, vastgesteld worden. De gewassen die hier geteeld zijn waren de volgende: Bladrammenas (gangbaar) , Bladrammenas (late accessie), Ethiopische mosterd, It. Raaigras en Japanse haver. Ook werd een object zwarte braak toegevoegd. De goede potentie van stikstofvanggewassen bleek duidelijk in deze proef: bij een van de onderzochte soorten was er een opname van meer dan 200 kg N/ha.
  3. Een proef waarin gangbare (o.m. Italiaans raai, mosterd, bladrammenas) met nieuwe vanggewassen zijn vergeleken (qua snelheid ontwikkeling, N-opname, vorstgevoeligheid e.d.). Om vooral de relatie tussen ontwikkeling en temperatuur vast te stellen is deze proef uitgevoerd met twee zaaitijden, nl. onmiddellijk na de oogst van het graangewas en ca. 1 maand later. Op die manier worden verschillen tussen gewassen duidelijk en kunnen ook de perspectieven beter beoordeeld worden. In de proef zijn ca. 16 vanggewassen (gangbaar en nieuw) onderzocht.

De drie uitgevoerde proeven zijn succesvol uitgevoerd. Onderzaai onder mais bleek geen haalbare optie om groenbemestingsgewassen te vervroegen, een eventueel nieuwe proef zal zeer beperkt in omvang zijn. De zaaitijdenproef in de stoppel leverde veel informatie over verschillende nieuwe gewassen op. De winter van 2009/2010 was wellicht wat te streng om een goed beeld te vormen van de vorstgevoeligheid van de verschillende gewassen. Het aangelegde proefveld op een met M. chitwoodi besmet perceel zal gegevens leveren over de vermeerdering van het aaltje op enkele nieuwe gewassen, waaronder Japanse haver. Vooral voor dit laatste gewas bestaat veel belangstelling. De samenwerking met het veredelingsbedrijf verloopt erg goed. Op de twee belangrijkste aspecten, vorstgevoeligheid en aaltjesvermeerdering, worden naar verwachting voldoende data verzameld.
In 2010 zullen nadere afspraken gemaakt worden om op een aantal praktijkbedrijven te analyseren wat de mogelijkheden zijn van vanggewassen (rekening houdend met teeltplan en aaltjessituatie), waar mogelijk gevolgd door het aanleggen van demonstraties (al dan niet met nieuwe vanggewassen).

Heeft het project al een praktijkrijpe maatregel opgeleverd?

Na 1 jaar onderzoek is het nog te vroeg, wel bestaat in de praktijk veel belangstelling voor het nieuwe groenbemestingsgewas Japanse haver. Dit gewas loopt ook mee in de proeven in dit project, o.a. de vermeerdering van Meloidogyne chitwoodi wordt onderzocht.

Praktijktips

Onderzoek de mogelijkheden op het bedrijf ten aanzien van aaltjesgevoeligheid/ vermeerdering met www.aaltjesschema.nl